Wat is je mandaat wanneer je iemand ‘helpt’?

Wanneer we iemand helpen, staan we er niet bij stil dat we dat ‘mogen’ doen van de ander. Het is niet vanzelfsprekend, zelfs indien de ander in nood verkeerd. (Uitzonderingen zijn acute, levensbedreigende situaties waar eerst moet worden gehandeld alvorens iets te kunnen vragen.)
Het is niet omdat we een vraag menen waar te nemen of omdat we menen dat iemand hulp moet krijgen, dat wij mogen tussenbeide komen, op onze manier.

We vergeten vaak als ‘helper’, om eerst te vragen of we mogen helpen en te vragen wat ‘helpen’ voor de ander dan inhoudt. We vergeten een gesprek te voeren over ons mandaat! Wat mogen we en wat mogen we niet in deze relatie? Wat hoort er wel en niet bij onze overeenkomst? Meestal is er sprake van een onuitgesproken, verondersteld ‘contract’.
Voor je het weet sla jee aan het ‘Redden’ en ont-kracht je de ander, d.w.z. je vermindert zijn zelfredzaamheid.

Wanneer je iemand ‘helpt’ start je een specifiek ‘interactie-spel’, het ‘Ik help je-spel’. Ik gebruik het begrip ‘helpen’ in zijn ruimste betekenis = telkens je een stap zet naar iemand om iets voor hem/haar te doen, om het even of die dat heeft gevraagd of niet.
Het ‘Ik help je-spel’ speelt zich af binnen het algemene interactieveld (cf. de Interactieroos van Leary). Er is echter niet alleen de positie die je inneemt binnen het interactieveld, je beeldt tegelijk een figuur uit. Terwijl je een positie kiest, belichaam je een bepaalde figuur of een bepaalde rol.

De ander zal inspelen op de figuur die jij toont, het beeld van waaruit jij ‘helpt’. Hij zal binnen het interactieveld een complementaire of een symmetrische positie innemen én op zijn beurt een beeld tonen dat past bij zijn interactie met het jouwe. Hij zal een figuur kiezen die volgens hem past bij jouw houding. Bij de figuur die de ander kiest, hoort een bepaald gedrag.

Bij het gedrag van een arts hoort het gedrag van een ‘patiënt’, d.w.z. hoort het gedrag dat zowel de een als de ander herkennen als ‘gedrag van een patiënt’. Een arts verwacht bv. niet een erg mondige, kritische persoon en ziet de patiënt niet als een partner.
De ‘leraar’ tracht de ‘leerling’-houding en ‘leerling’-gedrag op te roepen als complementair gedrag.

Wanneer een medewerker jou als leidinggevende iets vraagt, vanuit welke figuur antwoord jij? Doe je dat als ‘ouder’ of hou je een preek als ‘priester’ of luister je als een ‘vriend’ of stel jij je op als ‘adviseur’? Stel jij je op als een ‘gids’ of als een ‘padvinder’ of zit je in de huid van een van die andere figuren?

Bij het ‘helpen’ heeft je positie binnen het interactieveld én de figuur die je daarbij belichaamt grote invloed zowel op de interactie als op de resultaten van jouw ‘helpen’!

Zoals ieder spel heeft het ‘Ik help je-spel’ spelregels, grenzen, posities, een startpunt, een doel, al of niet een winnaar (en dan ook een verliezer) en een eindpunt. Daarbij heeft de figuur die je kiest een begrensd mandaat.
Zo mag bv. een coach of een leidinggevende niet dezelfde vragen stellen als een therapeut. De verschillende figuren hebben een specifiek mandaat.

Wil je de ander authentiek ‘helpen’ (en niet Redden) dan is het noodzakelijk dat je duidelijkheid schept over het mandaat dat jij vraagt en het mandaat dat de ander jou geeft.

Graag meer lezen? Vraag de uitgebreide tekst (11 blz.).

Je reactie is van harte welkom

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s